Posts in "Internet"

Tips voor het schrijven van een longread

Voor websites is het meestal een goed advies om teksten kort te houden. Maar wie een online artikel schrijft wil uiteraard dat de inhoud ervan niet gescand maar gelezen wordt. Sinds de opkomst van tablets en smartphones lezen we langere teksten op scherm, dat zorgde zelfs voor de genrenaam ‘longreads’. Longreads zijn artikels of verhalen die lang zijn naar webnormen maar relatief kort zijn in vergelijking met wat we op papier lezen.

Hoe lang is een longread?

Hoe lang mag een longread zijn vooraleer de online lezer wegzapt? Er is geen exact antwoord op deze vraag net zoals dat zo is voor het aantal pagina’s van een boek. Romans hebben doorheen de tijd wel een gemiddeld formaat en dikte gekregen met ongeveer 250 tot 300 woorden op een blad. Maar de lengte van een tekst is op zich uiteraard geen garantie om wel of niet gelezen te worden.

Als je voor een online publiek schrijft is het goed om je in te leven in mogelijke situaties van lezers. Zo kan je bijvoorbeeld inspelen op pendelaars die wachttijden al lezend op de smartphone overbruggen. Een tekst met een leestijd tussen 3 en 10 minuten is ideaal tijdens het wachten. Als je weet dat we 250 à 300 woorden per minuut lezen dan zit je goed met een longread van 750 tot 3000 woorden. Voor smartphonelezers is het daarbij ook van cruciaal belang dat de tekst goed leesbaar is op klein scherm. Probeer dus zeker om je verhaal zelf eens op je telefoon te lezen!

Een leestijd en een -vormgeving die aangepast zijn aan de context van je leespubliek helpen maar ze geven geen garantie dat je verhaal gelezen wordt. Kwaliteit en inhoud staan voorop en daarbij kunnen deze tips ook helpen.

Tips voor het schrijven van een longread

  1. Zorg voor een goede titel
    De titel kan ervoor zorgen dat iemand jouw verhaal wel of niet begint te lezen. Als de link naar je artikel bijvoorbeeld gedeeld wordt op sociale media en daardoor buiten de publicatiecontext getoond wordt, is het van belang om met de titel kort en duidelijk aan te geven wat je wil vertellen.
  2. Schrijf volgens het omgekeerd piramide model
    Nieuwsschrijvers gebruiken het inverted pyramid model om informatie in een tekst bewust te rangschikken op een manier die omgekeerd is aan wat we spontaan zouden doen. Net als in een management summary begin je in dit model met de samenvatting waarin de conclusies al uit de doeken gedaan worden voor de lezer met weinig tijd. Wie door de conclusies geprikkeld is, zal mogelijk ook in de details geïnteresseerd zijn en dus verder lezen. Wie de achtergrondinformatie aan het einde niet gelezen heeft, zal toch kunnen samenvatten wat er in de tekst gezegd wordt. Stel dus het geduld van een online lezer niet teveel op proef.
  3. Schrijf een verhaal
    Een verhaal heeft een begin een midden en een einde. Alles samen vormt dit een afgerond geheel. Op het web kunnen bezoekers middenin je blog of website terechtkomen. Zorg er daarom voor dat alle teksten die je schrijft op zichzelf kunnen staan zonder dat het nodig is om eerst andere artikels te lezen.
  4. Denk aan zoekwoorden
    Heb je graag dat je tekst lang na schrijfdatum nog gevonden wordt, dan is Google je vriend! Een artikel met minder dan 300 woorden is voor zoekmachines niet zo relevant, zeker in het geval er geen centrale term of zoekwoord kan uit afgeleid worden. Stel dat je iets schrijft over het ‘lokaal cultuurbeleid in Vlaanderen’, zorg er dan voor dat deze ‘zoekterm’ op de goede plaatsen in de tekst terugkomt zodat Google jouw artikel hoog rangschikt voor wie hierover iets wil lezen. De inhoud van je artikel af en toe actualiseren helpt ook om relevant te blijven voor zoekmachinesorteringen. Want geef toe, kom jij vaak op pagina 2 van een Google-zoekresultaat?
longread example

Voorbeeld van een longread op Medium

Conclusies

Een longread is wat vorm en inhoud betreft het best te vergelijken met een krantencolumn. Een column komt ook in verschillende formaten van kort (350 woorden) tot iets langer (650 woorden) tot lang (1500 tot 2500 woorden) met als doel om een gedachte te verpakken in een kort verhaal. Bij de gedrukte krant weten we niet waar lezers afhaken, maar voor online tekst wordt veel onderzoek gedaan naar het punt waar lezers afhaken. Volgens Gerry McGovern blijft minder dan 20% lezen bij teksten die langer zijn dan 1000 woorden. Zorg daarom voor kwalitatieve inhoud, breng die in een vormgeving die goed leesbaar is op alle toestellen en schermformaten, toon de totale leesduur na de titel, houdt de presentatiefocus op het artikel zodat er weinig afleiding is van andere zaken op dezelfde pagina en breng sfeer door het gebruik van beelden als deze kunnen bijdragen aan de inhoud.

Every thing has information

Dit jaar bundelt het digitaal bureau Wijs al voor het 9de jaar op rij voorspellingen over digitale trends voor het volgende jaar. In de editie van 2016 zijn 36 mensen -waaronder Herman Konings, Omar Mohout, Pieter Colpaert, Lesley Arens en Fredo De Smet- aan het woord. Mijn bijdrage gaat over hoe we evolueren naar een infosfeer waarin informatie on(be)grijpbaar wordt.

Online informatie zit meer dan in webpagina’s ook vervat in dingen rondom ons. Het Internet of Things is realiteit. We leven in een ‘infosfeer’ waar informatie actief is zonder dat we ons nog moeten aan- of afmelden, iets moeten lezen of openen. Alles rondom ons is informatie. Daarmee leren omgaan is een groter wordende uitdaging.

De infosfeer
Het informatiegehalte van voorwerpen en sociale omgevingen wordt steeds groter. We weten ondertussen dat zoekmachines ons kennen. Maar ook de thermostaat, het warenhuis, de auto, fitnesstoestellen, de ijskast, kledij, gebouwen en de stad leren ons beter kennen. Voorwerpen en om- gevingen zijn geconnecteerd en bewaren informatie over wat we doen. Een geconnecteerde thermostaat logt ons leefritme en verzamelt met die informatie kennis om de verwarming automatisch en op maat te regelen. Voor deze luxe betalen we met het weggeven van informatie over onszelf.We beseffen niet meer waar we overal sporen achterlaten. Die sporen zijn het nieuwe goud. Informatie in de vorm van documenten of pagina’s is passief omdat er een lezer nodig is die interpreteert en actie onderneemt. Actieve informatie is onzichtbaar en reageert zonder actie van een persoon.Informatie vormt mee de werkelijkheid. Informatie kan ervoor zorgen dat een auto ‘zichzelf’ bestuurt. Een gebouw, persoon of object kan er anders ‘uitzien’ door de informatie waarmee het verbonden is. Het onderscheid tussen de realiteit en het virtuele wordt moeilijker af te lijnen.Het Internet of Things, Big Data en Virtual Reality zijn geen op zichzelf staande trends meer. Het samenspel tussen deze en andere technologieën is bijna onmerkbaar binnengedrongen in ons leven met als rode draad: interactie met informatie.

Iedereen informatie-architect
De toekomst ziet er mooi uit voor informatie-architecten, maar net hun job is aan heroriëntering toe. Informatie- architecten zorgen tot nu vooral voor het ordenen van passieve informatie (webpagina’s, documenten, collecties…). Informatie is zo alomtegenwoordig en actief geworden dat ze niet meer organiseer- en beheersbaar is met alleen de klassieke regels.Het werk van een informatie-architect gaat niet meer louter over het ordenen van wat door mensen gecreëerd wordt, maar ook over het interpreteren en visualiseren van gegevens die door systemen gelogd worden.Deze vertaling van data naar informatie en actie kan leiden tot oplossingen die een sector, bedrijf of organisatie veran- deren. Dat vraagt meer dan het toepassen van een aantal ordeningsprincipes: de wil om je in te graven, om complexi- teit te doorgronden, gedrag te observeren, problemen te zien en nieuwe oplossingen te bedenken.Een informatie-architect is niet langer een schakel waarlangs de productontwikkeling ‘passeert’. Informatie is geen laag die op een product gelegd wordt, het product ‘is’ informatie. De manier waarop informatie verkregen wordt en hoe we de toegang tot informatie regelen, zorgt voor nieuwe dilemma’s en digitale kloven.

Meer digitale kloven
De kloof tussen mensen die wel of niet mediawijs zijn, beperkt zich niet langer tot ‘zij die weten en kunnen’ en ‘zij die niet weten en kunnen’. In 2016 zullen andere digitale kloven groter worden. De kloof tussen diegenen die bewust kiezen voor privacy en zij die kiezen voor het comfort dat gepaard gaat met het opgeven van privacy. De keuze van mensen om niet te participeren aan wat volgens hen een achteruitgang is, zal de grootste concurrent van de vooruitgang worden.Het lijkt alsof technologie eenvoudiger en goedkoper is gewor- den en toch neemt ook de kloof toe tussen zij die voldoende geld en expertise hebben en zij die er niet in slagen om metde veelheid aan data en informatie om te gaan. Er zijn zoveel digitale gegevens dat er letterlijk zeeën gevuld worden met opslagruimtes om data(machines) op temperatuur te houden. De kost voor sensoren, connectiviteit en processing is nog altijd hoog maar is door de evolutie van technologie op diverse niveaus haalbaar en betaalbaar geworden.Toch zijn de oplossingen fragiel. Vooral omtrent het beveiligen, lteren en het bewaren en toegankelijk houden van gegevens voor de toekomst, is er vaak nog gebrek aan expertise en nanciële middelen. Omdat het veilig en duurzaam bijhouden van zoveel informatie niet voor elke sector nancierbaar is, ontstaan er ook inhoudelijke kloven. Een andere kloof wordt kunstmatig in stand gehouden door merken die eindgebruikers opsluiten in hun ecosysteem zoals bijvoorbeeld een toestel van Apple dat bepaalde gegevens enkel doorgeeft aan andere Appletoestellen. Informatie kan op die manier onbruikbaar worden voor de wereld buiten het ecosysteem. Merkadepten dreigen zich daardoor te isoleren zonder echt bewust te zijn van de kloof tussen ‘hen’ en de ‘anderen’.Deze kloven lopen niet langer tussen landen, streken of buurten maar dwars door samenlevingen. Het niet kunnen meepraten op familiefeestjes omdat je (al dan niet bewust) geen Facebooktoegang hebt, is een anekdotisch voorbeeld van samenlevingsproblemen die dieper geworteld zullen geraken.

Is informatie alles?
Digitale kloven zorgen voor uitsluiting van zij die niet tot de infosfeer behoren, de outsiders, de niet-geconnecteerden, zij die er niet in slagen te lteren en zij die geen toegang hebben tot informatie. Kennis of toegang tot informatie staat al lang gelijk aan macht. Nu alles informatie is, worden de alternatie- ven om volop te participeren aan leren, werken of leven kleiner als je geen toegang hebt. Informatie is onzichtbaar geworden waardoor ook de betekenis van het woord ‘informatie’ vervaagt. Informatie is de brandstof van ons functioneren, we beseffen pas hoe afhankelijk we ervan zijn als de verbinding met het internet uitvalt.

Lees het volledige online trendrapport van 2016

Wat is het verschil tussen een native app en een web app?

Een jaar na de eerste iPhone werd in 2008 de App Store (en daarmee ook het woord app) geïntroduceerd. Het begrip app store stond toen voor de online winkel met software voor smartphones van Apple. Ondertussen zijn er veel meer mobiele toestellen dan enkel de iPhone, zijn er meerdere app stores dan enkel die van Apple, is het woord app niet langer gereserveerd voor mobiele apps en is het verschil tussen een website en een app kleiner geworden.

Sta je op het punt om in de ontwikkeling van een app te investeren? Dan is het goed om het verschil tussen een native app en een web app te kennen.

Wat is een native app?

Een native app is specifiek voor een bepaald besturingssysteem ontwikkeld en daardoor enkel bruikbaar op toestellen met dat besturingssysteem. De meest bekende besturingssystemen voor mobiele toestellen zijn: iOS (Apple), Android (Google), Windows Phone (Microsoft) en BlackBerry (BlackBerry).

Een native app die bijvoorbeeld speciaal voor iOS ontwikkeld is, kan niet gebruikt worden op toestellen met een ander besturingssysteem. Vermits iOS vandaag nog verschilt met OS X (het besturingssysteem van Apple-computers) werkt een iOS app enkel op mobiele toestellen van Apple. Meer nog, een iOS app die ontwikkeld is voor iPhone werkt alleen echt goed op een iPhone. Om dezelfde app ook voor iPad of Apple Watch bruikbaar te maken, zijn er specifieke ingrepen nodig.

Hierdoor kan het ontwikkelen van een native app erg duur worden. Stel dat je een app wil lanceren die op alle smartphones werkt, dan is het nodig om er minstens 3 te ontwikkelen:  1 voor iOS, 1 voor Android en 1 voor Windows Phone. Wil je dat diezelfde native app ook werkt op tablets, computers en smartwatches? Dan moet er voor elk van deze combinaties bijkomend geïnvesteerd worden.

Om een app vervolgens bij het publiek bekend te maken is het nodig om die aan de verschillende app winkels door te geven: App Store (iOS en OS), Google Play (Android), Windows Phone Store (Windows phone), Windows Store (Windows), BlackBerry World (BlackBerry), Ovi Store (Nokia). Elke store heeft eigen voorwaarden en regels. Die regels zijn van technische, organisatorische, juridische en financiële aard. Concreet kan dit betekenen dat een native app voor iOS niet door de strenge procedures van Apple geraakt en je duur ontwikkelde app daardoor niet bij het bedoelde publiek geraakt.

Wat is een web app?

html5_vs_native

Met een web app wordt verwezen naar software die ontwikkeld is om in de browser te gebruiken. Dat wil zeggen dat een browser (Google Chrome, Firefox, Safari, Internet Explorer, …) en een internetverbinding volstaan om de app te gebruiken. Als de web app op een goede manier ontwikkeld is (responsive design, html5, cross-browser compatibility…) dan zal die onafhankelijk van het besturingsysteem en het type toestel werken op alle apparaten met een browser en internetverbinding. Het is niet nodig om verschillende apps te ontwikkelen, en je hoeft niemand om toestemming te vragen om de app gepubliceerd te krijgen.

Een web app is eigenlijk hetzelfde als een website. De term web app wordt vooral gebruikt voor complexere websites die functioneren zoals software (bv. berekeningen uitvoeren, dynamisch visualiseren van gegevens, …). De grens tussen een website en een web app is aan het vervagen. Je zou kunnen stellen dat elke website een web app is of elke web app een website.

We zijn van web apps beginnen spreken omdat we alsmaar meer zaken kunnen doen via de browser. Bepaalde software die vroeger op onze computer geïnstalleerd werd, wordt nu als een webbased online service (SaaS, of Software as a Service) aangeboden met de browser als client. Een project management tool zoals bv. Basecamp is volledig bruikbaar in de browser zonder dat er iets op je computer geïnstalleerd moet worden. In het geval van Basecamp kan je beslissen om toch een native app te installeren als je bijvoorbeeld met een notificatie op je smartphone verwittigd wil worden voor het afwerken van een taak.

Basecamp heeft er als bedrijf voor gekozen om een web app + native app te voorzien zodat de klant kan kiezen wat hij/zij wanneer het liefst gebruikt. Het platform geeft ook externe ontwikkelaars de mogelijkheid om te integreren met hun software. Dat wordt mogelijk gemaakt door extra investeringen in de ontwikkeling en documentatie van een interface voor developers (API). Grote bedrijven zoals Facebook, Twitter en Netflix passen dezelfde softwarestrategie toe waarbij het beste van de 2 werelden gecombineerd wordt. Vaak wordt hiervoor de techniek van een hybrid app toegepast (html5 verpakt in een native container).

Dat wil niet zeggen dat het voor iedereen en altijd nodig en haalbaar is om in te zetten op de combinatie van web en native ontwikkeling. Soms is het zelfs technisch niet mogelijk. Publiceren op Instagram kan bijvoorbeeld enkel met een native app omdat de software op zo’n manier geïntegreerd is met de camera van een mobiel toestel dat dit (nog?) niet lukt via een browser.

Vooraleer je de beslissing maakt om te investeren in een native app en/of web app is het nodig om goed te weten voor wie en voor wat de app bedoeld is en wat daarvoor nodig is. Daarna kan je een weloverwogen en financieel haalbare keuze maken.

Verschillen tussen een native app en een web app

Redenen om voor de ontwikkeling van een native app te kiezen

  • Integratiemogelijkheid met de GPS van een mobiel toestel
  • Integratiemogelijkheid met camera (foto, film, webcam)
  • Integratiemogelijkheid met microfoon (input en output)
  • Integratiemogelijkheid met notificaties
  • Integratie met andere native apps (bv. Instagram, adresboek, …)
  • Offline gebruik van de inhoud van een app (bv. e-boek lezen zonder internetverbinding, gamen zonder internetverbinding, …)
  • Beveiliging van de inhoud van een app (bv. e-boeken zijn moeilijker illegaal te downloaden als ze via een native app aangeboden worden)
  • Controle over hoe informatie en pagina’s getoond worden
  • Promotie via app-stores
  • Integratie met betaalmogelijkheden app-stores

Nadelen van een native app

  • Verschillende apps nodig per besturingssysteem en type toestel
  • Development expertise nodig per ontwikkelplatformen (vaak 3 verschillende developers of bedrijven)
  • Afhankelijkheid van snel evoluerende native software en hardware
  • Afhankelijkheid van de regels en mogelijkheden van een native platform: user interface, technologie, juridisch kader, financiële voorwaarden, verder bestaan van het platform
  • Hoge ontwikkel- en onderhoudskost
  • Gefragmenteerde en beperkte community van ontwikkelaars
  • Gesloten platformen, geen open source benadering
  • Een nieuwe versie van een app moet door elke gebruiker gedownload worden
  • De inhoud van een native app is niet goed zichtbaar in Google en andere zoekmachines

Redenen om voor het ontwikkelen van een web app te kiezen

  • 1 app werkt op alle toesten met een browser (onhankelijk van besturingssysteem en type toestel)
  • Grote community van ontwikkelaars
  • Open source benadering
  • Eindgebruikers hoeven niets te installeren om de app te kunnen gebruiken (mits browser en internetverbinding)
  • Iedereen gebruikt automatisch de laatste versie van de app
  • Minder dure ontwikkelkost in vergelijking met native app
  • Generieke development expertise (meer developers en bedrijven in vergelijking met ontwikkeling native apps)
  • Hogere zichtbaarheid van alle inhoud in Google en andere zoekmachines
  • Er is geen externe goedkeuring (van app-store eigenaars) nodig om de app te lanceren

Nadelen van een web app

  • Bij de ontwikkeling is kennis nodig van cross-browser compatibility (Google Chrome, Firefox, Safari, Internet Explorer, …) en recente webstandaarden (html5, responsive design, …)
  • Web apps die gebruik maken van recente technologie zijn niet altijd bruikbaar in oudere browser-versies
  • De app moet bruikbaar gemaakt worden op een enorme variatie aan schermgroottes (grote desktopscreens tot kleine smartphones), hiervoor is
  • Meer tijd nodig om een doorgedreven vereenvoudiging van te concipiëren voor eenzelfde ontwerp dat goed bruikbaar moet zijn op heel grote én heel kleine schermen
  • Minder controle over hoe eindgebruiker pagina’s en informatie te zien krijgt (bv. afhankelijkheid van schermresolutie)
  • Performantie kan een probleem zijn bij zeer complexe web applicaties zoals games
  • Geen promotie via app-stores

Deze opdeling is niet exact. Zo kan er met een browser ook al inhoud bewaard worden voor offline gebruik, kunnen er beperkte functies van hardware aangesproken worden, is het mogelijk om rekening te houden met de fysieke locatie van een gebruiker. Online betalen kan evengoed in een web app en ook notificaties al via de browser mogelijk. Maar als jouw app een combinatie van al deze specifieke functies op een betrouwbare of doorgedreven manier nodig heeft, dan is het vandaag nog aangewezen om voor een native app te kiezen.

Heb je een native app en/of een web app nodig?

Met een antwoord op deze vragen en bovenstaand overzicht kan je tot een beslissing komen:

  • Welk publiek wil je bereiken?
  • Wat wil je bereiken met de app?
  • Welke functies moet de app ondersteunen?
  • Hecht je belang aan systeem- en platform onafhankelijke oplossingen?
  • Op welke promotiekanalen wil je inzetten?
  • Wil je de investering via de app terugverdienen?
  • Wat is het budget dat aan de ontwikkeling besteed kan worden (rekening houdend met éénmalige en terugkerend kosten)?

De laatste vraag zal waarschijnlijk het best helpen om de knoop snel door te hakken. Twijfel je nog? Dan kan deze test misschien helpen.

Data als doel of middel?

Tijdens de vele jaren waarin ik als informatie architect bezig ben met het vormgeven van digitale diensten blijft eenzelfde spanningsveld terugkeren. Een spanning die het gevolg is van verschillende uitgangspunten: data en technologie als doel of als middel, verder bouwen op wat er is of opnieuw beginnen. Het komt vaak voor dat er tijdens een veranderingstraject discussie ontstaat over fundamenteel verschillende uitgangspunten.

Een situatieschets van 3 verschillende uitgangspunten:

  1. We zullen alle data die we doorheen de tijd gecreëerd hebben samenbrengen.
    Deze data zullen we verrijken met gegevens die vrij of tegen betaling beschikbaar zijn.
    Deze verrijkte dataverzameling is het uitgangspunt voor het bedenken van nieuwe vormen van dienstverlening.
  2. We bedenken een nieuwe vorm van dienstverlening en onderzoeken vervolgens welke data daarvoor nodig zijn.
    Deze data zullen we zelf creëren of afnemen van partijen die deze vrij of tegen betaling ter beschikking stellen.
  3. We onderzoeken de noden van ons publiek en gaan op basis daarvan (ver)nieuw(d)e diensten ontwikkelen.
    De data die daarvoor nodig zijn gaan we verzamelen of  zelf creëren.

Ook al lijkt het derde uitgangspunt het beste is het niet zo dat de twee andere fout zijn. Om te innoveren is het nodig om te experimenteren en daarvoor zijn de eerste twee opties soms meer voor de hand liggend. Het onderzoek dat genoemd wordt in optie 3 kan ook gebeuren door de combinatie van 1 en 2.

Het probleem ligt niet bij het kiezen van de juiste optie, maar wil in het feit dat er bij aanvang van een veranderingstraject vaak niet gekozen wordt omdat er een kader ontbreekt om beslissingen te nemen.

Open en linked data

De emancipatiestrijd van data en de semantische onderbouw van het web zorgden ervoor dat veel organisaties (terecht!) bezig zijn met het openstellen, hergebruiken en linken van datasets. Waarom zouden we het warm water opnieuw uitvinden, waarom data creëren en beheren waar iemand anders al mee bezig is, waarom lokaal denken als het web globaal is, waarom semantische relaties tussen data en objecten niet visualiseren? Het zijn maar enkele van de redenen om in te zetten op open en linked data.

Hackathons zijn de speelplaatsen voor data-nerds. Het is fantastisch dat er alsmaar meer speelplaatsen zijn! Tijdens de hackathons mag er gespeeld worden met (tijdelijk) vrij beschikbare data. Het is de eerste optie en het is duidelijk dat er uit dat spelen geleerd kan worden. Zowel de ontwikkelaars als de eigenaars van data steken veel op als er nieuwe producten mee gemaakt worden. Het uitpakken met technische data-hoogstandjes is de drijfveer voor de eerste twee uitgangspunten: nieuwe diensten op basis van beschikbare data. Ze resulteren vaak in virtuoze interfaces met een hoog wow-effect. Deze zijn nodig om al zoekend te innoveren. Een prototype dat losgelaten wordt op een publiek kan aantonen wat de goede en minder goede ideeën zijn.

Kiezen voor zekerheid of experiment

De eerste twee uitgangspunten impliceren dat er gekozen wordt voor experiment: hoe en welke data kunnen verrijkt worden, welke nieuwe vormen van dienstverlening zijn mogelijk? Experiment is nodig om te vernieuwen. Maar er stelt zich een probleem als de eerste twee uitgangspunten toegepast worden in een situatie waar ze niet als experiment bedoeld zijn.

Als je voor zekerheid wil kiezen dan is het nodig om te bepalen voor welk publiek je bezig bent en waar dat publiek behoefte aan heeft. Met deze kennis kan vervolgens beslist worden welke data nodig zijn om producten of diensten te ontwikkelen of verbeteren. Dat onderzoek kan in de vorm van experimenten opgezet worden. Het is jammer genoeg vaak zo dat de behoeften niet onderzocht worden en dat een ‘experiment’ opgezet wordt als hét nieuwe product voor de komende jaren. De gevolgen daarvan: hoge investeringen voor diensten waar niemand écht behoefte aan heeft of weinig gebruiksvriendelijk uitgewerkte interfaces.

Kiezen voor lange of korte termijn

De keuze om meteen voor écht te ontwikkelen heeft dikwijls te maken met een kortetermijnstrategie waarbij geredeneerd wordt dat iets nieuw bouwen op basis van wat er al is minder kost dan iets te onderzoeken met als kans dat er vanaf nul opnieuw gestart moet worden. Met kortetermijnstrategie is er op zich niets fout als er een langetermijnstrategie tegenover staat waarin de experimenten passen.

Een strategie bepalen

Alvorens in te zetten op een veranderingstraject is het van belang om een overkoepelende strategie te bepalen waarin experiment, productontwikkeling, korte en lange termijndoelen een plaats naast elkaar krijgen. Dat hoeft geen document van 100 pagina’s te zijn. Het vastleggen de design-principes of uitgangspunten voor het ontwikkelen van producten die voor jouw organisatie van belang zijn, kan volstaan als referentiekader om beslissingen te nemen.

Een website is geen project

We zijn er allemaal van overtuigd dat een goede en gebruiksvriendelijke website belangrijk is en toch kan je gemakkelijk voorbeelden vinden van websites die niet voldoen aan het verwachtingspatroon van eindgebruikers. Tijdens de vele jaren waarin ik betrokken ben bij het opzetten van digitale en online dienstverlening zie ik een aantal terugkerende oorzaken voor het feit dat het nog vaak de verkeerde richting uitgaat met de website. De meest voorkomende valkuilen zijn:

  • Niet écht weten waarvoor je klanten de website (willen) gebruiken
  • Niet weten hoe je klanten de (huidige) website gebruiken en wat ze ervan vinden
  • Beslissingen voor de bedrijfswebsite nemen op basis van persoonlijke gevoels- en smaakvoorkeuren
  • De totaaloplossing laten bepalen door de totaliteit van ideeën en wensen van mensen die niet behoren tot de doelgroep van de website (bv. interne medewerkers)
  • Het inspelen op trends of technologische vernieuwing als doel stellen van de website
  • Starten met ontwikkelwerk zonder dat er een online strategie is
  • De website niet zien als onderdeel van een totale online en offline dienstverlening
  • Starten met designwerk (stijl en kleuren) zonder dat de functionaliteiten gespecificeerd zijn en zonder dat er een informatie architectuur uitgewerkt is
  • De structuur van de website overeen laten komen met de interne/administratieve structuur van de organisatie in plaats van met echte gebruikersscenario’s of taken die eindgebruikers willen afwerken op de site (bv. het achterhalen van de openingsuren)
  • Verkeerde technologische keuzes waardoor vaak te laat blijkt dat het ontwikkelteam niet kan maken wat er écht nodig is
  • De ambitie om alle functionaliteiten van een nieuwe website op dag één live te zetten
  • Een te lange implementatietijd achter de schermen
  • Interne discussies die tijdens het ontwikkelwerk nog ‘uitgevochten’ moeten worden
  • Alle beslissingen voor de website laten nemen door technische medewerkers
  • Het onvermogen om webbouwers, ontwikkelaars, designers en andere betrokkenen goed uit te leggen wat er nodig is voor jouw klanten
  • Het opdringen van keuzes door developers of bedrijven omdat bepaalde zaken beter aansluiten op hun technologie, kennis of voorkeuren
  • Verkeerde inschattingen over budget, personeelstijd, benodigde expertises, ….
  • Het inzetten van de verkeerde competenties of een gebrek aan specifieke expertises
  • Verkeerde keuze van technologie waardoor te laat blijkt dat er niet kan ontwikkeld worden wat écht nodig is
  • Meer aandacht voor het uitzicht dan voor de functionaliteit en gebruiksvriendelijkheid
  • Geen incrementele verbeteringen doorvoeren op basis van eindgebruikersfeedback of -testen
  • Tekst op de website niet aanpassen aan hoe bezoekers zich al ‘scannend’ in plaats van ‘alles lezend’ bewegen op een website
  • Het ontbreken van een intern beleid en werkkader (digital governance) rond digitale diensten en online aanwezigheid
  • De datum waarop de website live gaat als einddatum van het ‘website-project’ zien

Eén van de meest voorkomende valkuilen is misschien wel het feit dat het opzetten van een website als een tijdelijk project gezien wordt. Het gevolg daarvan is dat medewerkers voor een bepaalde periode ‘vrijgemaakt’ worden om bezig te zijn met de website waardoor er geen tijd ingepland wordt om het werk inhoudelijk en functioneel up-to-date te houden vanaf de échte start: als er bezoekers op de website komen. Die live-bezoekers zijn de eerste echte testers van je website. Wat zij ervaren en doen is waardevolle informatie om de website beter te maken.

Hulp of advies nodig bij het verbeteren of vernieuwen van een website? Kijk wat iStoires Services voor jou kan betekenen.

Haat-liefdeverhouding met e-mail

E-mail is een fantastische uitvinding! Ooit was de grootste bevrijding dat je, anders dan bij de telefoon, zelf kon kiezen wanneer je iemands bericht zou lezen én wanneer je een antwoord zou sturen. Die tijd is voorbij.

Sinds het internet letterlijk in onze achterzak zit, worden we geacht altijd en overal te kunnen reageren op een e-mail. Meer dan 4 uur wachten is voor sommigen voldoende reden om je telefonisch tot de orde te roepen: “heb je mijn e-mail gelezen?
Waarmee het grootste voordeel -kiezen wanneer je wil antwoorden- eigenlijk verdwenen is. Oja, er is ook nog het voordeel dat e-mailen min-of-meer gratis is, maar dat zorgt dan weer voor tonnen ongewenste berichten en spam.

Maar de belangrijkste reden voor mijn haatverhouding met e-mail is de onbeperkte lengte van een bericht. Schijnbaar onschuldig dringen berichten van een half boek-hoofdstuk je mailbox binnen. Voor je weet of het je leestijd waard is, is je tijd eraan opgegaan. En voor je het weet kom je in de verleiding om het antwoord in een minstens even uitvoerige stijl te formuleren. Als het kan misschien nog net iets langer zodat je betrokkenheid duidelijk blijkt. En voor je het weet is de dag om en heb je niets anders gedaan dan e-mails lezen en beantwoorden. Hoe druk je dan ook bezig lijkt te zijn, het geeft geen voldoening want je komt er zelden mee tot échte resultaten.

Mijn persoonlijke e-mail regels zijn:

  • Notificaties afzetten
  • E-mail lezen én beantwoorden inplannen
  • Zelf geen lange berichten of lange antwoorden sturen
  • Een bericht afsluiten met een vraag of aangeven dat het enkel ter informatie is
  • Zuinig omgaan met “cc”

 

Auto complete en auto suggest

Van gelijk welke digitale of online zoekomgeving verwachten we hetzelfde gebruiksgemak als wat we kennen van Google. De relevantiesortering en personalisering bij Google hebben ons doen geloven dat het beste antwoord bovenaan op de eerste pagina van een zoekresultaat staat.

Het gebruiksgemak bij het zoeken via Google heeft niet enkel met de sortering van de resultaten te maken. Het begint al bij het intikken van de eerste letter van je zoekterm. Door het presenteren van suggesties lijkt het alsof Google binnen de seconde al weet waarnaar je zoekt. Het is alleen nog een kwestie van die term te selecteren en hup daar staan instant de antwoorden.

Bovenop de zoektermsuggesties die er sinds 2008 zijn, is Google in 2010 gestart met met instant search. Bij instant search wordt extra feedback gegeven door de zoekresultaten bijna realtime aan te passen tijdens het intikken van een zoekvraag. De meeste mensen lezen sneller dan ze typen. Wie blind typt kan dus tijdens het zoeken de pagina met resultaten scannen (diagonaal lezen) en op basis daarvan meteen de zoekterm bijsturen. Het klikken op een knop om het zoeken te starten is niet meer nodig. Als de termsuggesties juist zijn is tikken zelfs bijna overbodig geworden.

Using Google Instant can save 2-5 seconds per search
Bron

We kunnen ons bijna niet meer voorstellen dat het ooit anders werkte op Google. Meer nog, Google heeft ervoor gezorgd dat we van gelijk welke andere zoekomgeving dezelfde ondersteuning verwachten. We gokken niet graag naar de juiste schrijfwijze van een naam. Als we niet geleid worden, worden we misleid doordat een foute schrijfwijze doet lijken alsof er niets te vinden is.

Niet elke zoekomgeving heeft evenveel data als Google en dat maakt het moeilijk om te bepalen hoe zoek-ondersteuning het best geïmplementeerd kan worden. De 2 meest gebruikte configuraties zijn:

Auto complete

Een auto complete wordt opgezet om suggesties te geven uit een (meestal gecontroleerde) lijst van termen waarvan het begin exact overeenkomt met de zoekterm.

Auto suggest

Het doel van auto suggest is om een ​​vrijwel onbegrensde lijst met gerelateerde zoekwoorden en zinnen voor te stellen die al dan niet exact overeenkomen met de zoekterm.

auto suggestauto complete

Gelijk welke implementatiemethode vereist dat er een uitweg voorzien wordt zodat je ten allen tijde ook de exacte zoekterm -zonder gebruik te maken van de suggesties- als query kunt lanceren. Bij Google worden auto suggest en auto complete gecombineerd met een gepersonaliseerde sorteerlogica. Probeer dit maar eens te evenaren. Als het niet lukt, kan je ook overwegen om je data goed te laten indexeren door Google en zo onrechtstreeks gebruik te maken van de functies en de snelheid die we daar gewoon zijn.

Waarom digitaal lezen niet altijd leuk is

Het is eigen aan een tijd van veel technologische verandering dat de technologie een gespreksonderwerp is. Een bewijs daarvan zijn de duizenden artikelen en meningen over tablets en e-readers. Goed dat hierover geschreven wordt, maar uiteindelijk is die technologie ondergeschikt aan de leeservaring. Wat we denken, doen en voelen bij het gebruik van een toestel is bepalend voor echte verandering.

Oliver Reichenstein beschrijft in een artikel van 14 leesminuten hoe digitale leeservaringen verbeterd kunnen worden. Enkele van zijn bevindingen worden hieronder geciteerd.

Een boek openen en lezen
Een verschil tussen analoog en digitaal lezen is de complexiteit die we moeten overbruggen om een tekst te “bereiken”. Op een leestoestel moet een boek geopend worden volgens de logica van een apparaat. Op het internet moet naar tekst genavigeerd worden volgens een logica van de website-maker. Als we een digitale tekst bereiken, voeren we meer synchrone handelingen uit dan bij het vasthouden van een boek en het omdraaien van papier. We lezen onder andere daardoor nog altijd sneller op papier dan digitaal.

If you are reading online, you descend multiple levels to reach the text. How much more complexity do you need once you reach the ultimate text layer? Why is it that once we reach the text, we hardly stay there for more than a couple of minutes?

Content-architectuur
De vormgeving en organisatie van content bepaalt of we ons graag, comfortabel en geconcentreerd door een tekst bewegen. Een boek zonder lege pagina voor het echte begin is als een huis zonder inkomhal. De cover van een boek kan even bepalend zijn als het uitzicht van een gebouw om het verschil te maken of je er wel of niet binnen wilt stappen. De samenvatting op de achterflap speelt een rol bij het kopen en lezen. De inhoudstafel is een houvast voor en tijdens het lezen zoals dat ook zo is met de bewegwijzering in grote ruimten. Ooit had ik het voorrecht om een roman-manuscript te lezen die in pakketjes verspreid over de tijd in mijn mailbox kwam. Ik heb de documenten niet afgedrukt maar digitaal gelezen. Het was niet het digitale lezen wat me in de war bracht maar het ontbreken van architectuur om het boek als een totaalervaring te beleven.

In books the transitions between the different levels or frames are clearly separated with empty pages. They act like airlocks. You know when you enter a new level, and when you leave it.
Just like a digital text, a printed text is embedded in different invisible frames through which you need to cross to get to the body text. There are various ways to embed text in a book, magazine or pamphlet.

Lezen is focussen
Lezen is een vorm van luisteren. Om goed te luisteren zijn ruimte en omgeving even belangrijk als de manier waarop iets verteld wordt. De vorm is naast de inhoud van belang om te kunnen focussen.

To be able to design a better reading experience at the most basic level, we have to understand how to bring digital reading into a form of continuity. And to get there we need to find out what makes and breaks continuity.

Zoals Oliver Reichenstein beschrijft is het niet zo dat het kopiëren van analoge leesmodellen de perfecte digitale leeservaring oplevert. De extra navigatiemogelijkheden die online mogelijk zijn, hoeven niet genegeerd te worden om een gefocuste leeservaring te designen.

De basis moet goed zitten
Veel digitale content mist een goede toepassing van de basis-elementen: leestypografie, bladspiegel en focus op tekst. Het is niet nodig om een blad papier na te bootsen. Het is zelfs niet nodig om het draaien van een blad papier na te bootsen. Er is wel meer aandacht nodig voor de opmaak en presentatie van tekst. Comfortabel lezen vraagt voldoende  ruimte tussen de letters en de tekstregels. Blanco ruimte naast de tekst is belangrijk. Niet elk lettertype leest even gemakkelijk. Verwijzingen naar 101 dingen die niet relevant zijn om de tekst zelf te begrijpen leiden af. Te kleine letters zijn vermoeiend om te lezen. Een slecht kleurcontrast tussen tekst en achtergrond doet lezers afhaken, … En niet te vergeten: grammaticaal gebruik van hoofdletters is van belang. (Ja, er zijn designers die hoofdletters niet mooi vinden, maar alleen kleine letters of alleen grote letters zijn vermoeiend om te lezen. Echt waar.)
Het is geen oplossing om alle opties instelbaar te maken en het leesdesign over te laten aan eindgebruikers. Wat er mooi uitziet is niet altijd hetzelfde als wat ergonomisch interessant is.

Good typography does not look nice to please type nerds. Primarily, well set type reads well. It captivates, leads along, and doesn’t let you escape: it creates continuity.”
“In a well crafted book every single letter has its correct position in the whole of the text body to guarantee maximum readability and — through this — continuity of the reading experience

Readability to the rescue
Het is vreemd om te zien hoeveel er geïnvesteerd wordt in online content en hoe weinig deze inhoud op een volwaardige manier gepresenteerd wordt. Waarom teksten produceren om ze te publiceren op pagina’s waar de tekst met moeite vindbaar is? Waarom wordt een webpagina ingedeeld in 10 of meer publicatiezones? (Ja, bekijk maar sommige blogtemplates. En inderdaad, ook deze tekst kan beter gepresenteerd worden.)

Ik gebruik vaak Readability om een online tekst beter te kunnen lezen. Met de “Read Now” optie van de Readability-browser plugin wordt de tekst van een webpagina op een leesbare manier getoond.Het is een oplossing. Maar het is een extra stap die ik liever niet nodig zou hebben.

 

Heb jij FOMO?

FOMO, of de Fear Of Missing Out staat voor de angst om dingen te missen. Het sociale web maakt ons meer dan ooit bewust van alles waar we niet bij zijn. Status-updates op Facebook, Twitter, Foursquare, Instagram… wrijven het live in ons gezicht: X zit met Y op restaurant en wat ze eten ziet er heerlijk uit, foto’s van dansfeestjes waar de ambiance op beeld er beter uitziet dan in het echt, iemand checkt in op een concert of tentoonstelling waarvan je niet op de hoogte was, tweets van conferenties waar je niet bij bent, …  Het lijkt erop dat mensen met hun status-updates en bijhorende beeld-bewijsmateriaal een doel hebben: anderen jaloers maken.


De momenten waarop je thuis bent met het plan om niets te doen zijn net ook die momenten waarop er tijd is om doelloos rond te hangen op het web. Op dat moment worden we geconfronteerd met de 101 leuke dingen die we aan het missen zijn. Het gevoel van dingen missen is niet nieuw, maar wordt versterkt doordat we met weinig inspanning veel kunnen zien en volgen. Het aantal mensen dat online in beeld is, is groter dan de groep mensen van wie je hun doen en laten volgt via regelmatig contact. Het real-time delen, de bijhorende locatie-gegevens, en de beelden versterken het gevoel iets te missen meer dan iemands verhaal van wat hij of zij gaat doen of gedaan heeft.

Wie heeft er last van?
Uit onderzoek van JWT Intelligence blijkt dat mannen meer last hebben van FOMO dan vrouwen. In januari 2012 werden 869 volwassenen en 60 jongeren uit de Verenigde Staten bevraagd over hun angst om dingen te missen. Meer dan de helft van de bevraagden zegt af en toe last te hebben van FOMO.

Bron: http://mashable.com/2012/06/22/fomo-infographic/

Wat zijn de gevolgen?
Mensen met teveel last van FOMO krijgen problemen met kiezen en beslissen omdat ze verstrikt geraken in de angst om iets interessant te missen. FOMO-patiënten hebben concentratie-problemen omdat ze moeilijk kunnen weerstaan aan de drang om alle kanalen te checken in de hoop zo geen interessante dingen te missen.

The fear of missing out might become a self-fulfilling prophecy. The futile attempt to exhaust all available options can lead us to not realizing any option at all and to missing all options altogether.”
Dan Herman
CEO, international strategy Competitive Advantages

Is er een oplossing?
Volgens dit promofilmpje kan je FOMO vermijden met een power-adapter die je 100% garantie geeft op stroom, zodat je altijd en overal online bent en niets kunt missen. Ik ben eerder overtuigd van een oplossing die de stroom af en toe wegneemt.

Terwijl ik dit aan het schrijven was, heb ik minstens 30 leuke dingen gemist. Ik hoop dus dat u dit artikel leuk vindt.

Het internet als echokamer

Zoeken moet snel gaan. Wat we niet vinden op de eerste pagina van een Google-zoekresultaat bestaat niet. We gaan er van uit dat Google weet we bedoelen. Daarom verwachten we het juiste antwoord bovenaan. Opnieuw zoeken in miljoenen antwoorden is niet aan de orde. In vele gevallen is het zo dat het voor-ons-juiste antwoord bovenaan staat. Dat komt omdat Google ons heeft leren kennen door de sporen die we achterlaten op het internet. Elke online handeling wordt geregistreerd en onthouden. Zo creëren we ons eigen universum van waarheden en blinde vlekken.

De filter bubble

Eli Pariser
waarschuwt in zijn boek The Filter Bubble voor de gevaren van ons “personal ecosystem of information”. We hebben het idee dat we alles zien, maar we bekijken het internet door een filter waarvan we zelf niet (meer) weten hoe die is samengesteld. Meer nog, we weten ook niet hoe we de filter kunnen afzetten. Pariser benadrukt het feit dat we daardoor een gebrek krijgen aan alternatieve meningen door bijvoorbeeld ooit een artikel over Obama te verkiezen boven een artikel over Romney.

A world constructed from the familiar is a world in which there’s nothing to learn
Eli Pariser in The Economist, 2011 

Het concept van de filter bubble is vergelijkbaar met de relevance paradox. De relevantie wordt berekend door feiten buiten beschouwing te laten. Terwijl dit ook feiten zijn die mee bepalen wat relevant is.

The friendly world syndrome en de echokamer
De bubbel die we zelf creëren geeft ons een geluksgevoel omdat het internet een spiegel wordt van onze eigen interesses en die van onze vrienden. Dean Eckles spreekt in deze context over The Friendly World Syndrome. Op Facebook kunnen we alleen maar dingen leuk vinden. Dat maakt de barrière voor een kritisch discours groter, en de drempel voor impulsieve stellingen kleiner. Het belang van een bericht wordt berekend op basis van de meeste “likes”.

Participants in online communities may find their own opinions constantly echoed back to them, which reinforces their individual belief systems.
How the echo chamber impacts online communities, Wikipedia 

Heb je je ooit afgevraagd waarom bepaalde updates van Facebook-vrienden wel of niet getoond worden? Dat beslist Facebook voor jou op basis van de sporen die jij en je vrienden achterlaten. Hoe dat juist werkt is onduidelijk. Door opties aanpasbaar te maken, krijg je een vals gevoel van controle. Het effect van die aanpassingen is een maand later misschien anders, dus geven we ons uiteindelijk over aan de machine die voor ons beslist.

If we never click on the articles about cooking, or gadgets, or the world outside our country’s borders, they simply fade away. We’re never bored. We’re never annoyed. Our media is a perfect reflection of our interests and desires
Eli Pariser in The Filtre Bubble, 2011

Een machine-mens
Bij alles wat je online doet laat je sporen achter: een link aanklikken, een zoekwoord gebruiken, de tijd tussen een zoekresultaat en de klik naar een website, de personen aan wie je gelinkt bent, de commentaren en vind-ik leuks, een tweet of statusupdate, een blogbericht, de foto’s en filmpjes die je online zet, de plaatsen waar je incheckt, boeken die je online koopt of leest, de taalinstellingen van je browser, de plaats vanwaar je surft, … Elk spoor afzonderlijk lijkt onschuldig. Alle sporen samen zeggen meer over jezelf dan wat je wilt prijsgeven op het internet. Om nog niet te spreken over hoe interessant deze conclusies zijn voor adverteerders. Het internet is een lerend platform waar een machine-mens met berekende kennis in dialoog gaat met echte mensen. Ik ben er zelf niet uit hoe blij we daarmee moeten zijn.

P.S. als je dit artikel interessant vond, dan ben je *zeker* ook geïnteresseerd in social graphs en interest graphs