Posts in "Trends"

Tips voor het schrijven van een longread

Voor websites is het meestal een goed advies om teksten kort te houden. Maar wie een online artikel schrijft wil uiteraard dat de inhoud ervan niet gescand maar gelezen wordt. Sinds de opkomst van tablets en smartphones lezen we langere teksten op scherm, dat zorgde zelfs voor de genrenaam ‘longreads’. Longreads zijn artikels of verhalen die lang zijn naar webnormen maar relatief kort zijn in vergelijking met wat we op papier lezen.

Hoe lang is een longread?

Hoe lang mag een longread zijn vooraleer de online lezer wegzapt? Er is geen exact antwoord op deze vraag net zoals dat zo is voor het aantal pagina’s van een boek. Romans hebben doorheen de tijd wel een gemiddeld formaat en dikte gekregen met ongeveer 250 tot 300 woorden op een blad. Maar de lengte van een tekst is op zich uiteraard geen garantie om wel of niet gelezen te worden.

Als je voor een online publiek schrijft is het goed om je in te leven in mogelijke situaties van lezers. Zo kan je bijvoorbeeld inspelen op pendelaars die wachttijden al lezend op de smartphone overbruggen. Een tekst met een leestijd tussen 3 en 10 minuten is ideaal tijdens het wachten. Als je weet dat we 250 à 300 woorden per minuut lezen dan zit je goed met een longread van 750 tot 3000 woorden. Voor smartphonelezers is het daarbij ook van cruciaal belang dat de tekst goed leesbaar is op klein scherm. Probeer dus zeker om je verhaal zelf eens op je telefoon te lezen!

Een leestijd en een -vormgeving die aangepast zijn aan de context van je leespubliek helpen maar ze geven geen garantie dat je verhaal gelezen wordt. Kwaliteit en inhoud staan voorop en daarbij kunnen deze tips ook helpen.

Tips voor het schrijven van een longread

  1. Zorg voor een goede titel
    De titel kan ervoor zorgen dat iemand jouw verhaal wel of niet begint te lezen. Als de link naar je artikel bijvoorbeeld gedeeld wordt op sociale media en daardoor buiten de publicatiecontext getoond wordt, is het van belang om met de titel kort en duidelijk aan te geven wat je wil vertellen.
  2. Schrijf volgens het omgekeerd piramide model
    Nieuwsschrijvers gebruiken het inverted pyramid model om informatie in een tekst bewust te rangschikken op een manier die omgekeerd is aan wat we spontaan zouden doen. Net als in een management summary begin je in dit model met de samenvatting waarin de conclusies al uit de doeken gedaan worden voor de lezer met weinig tijd. Wie door de conclusies geprikkeld is, zal mogelijk ook in de details geïnteresseerd zijn en dus verder lezen. Wie de achtergrondinformatie aan het einde niet gelezen heeft, zal toch kunnen samenvatten wat er in de tekst gezegd wordt. Stel dus het geduld van een online lezer niet teveel op proef.
  3. Schrijf een verhaal
    Een verhaal heeft een begin een midden en een einde. Alles samen vormt dit een afgerond geheel. Op het web kunnen bezoekers middenin je blog of website terechtkomen. Zorg er daarom voor dat alle teksten die je schrijft op zichzelf kunnen staan zonder dat het nodig is om eerst andere artikels te lezen.
  4. Denk aan zoekwoorden
    Heb je graag dat je tekst lang na schrijfdatum nog gevonden wordt, dan is Google je vriend! Een artikel met minder dan 300 woorden is voor zoekmachines niet zo relevant, zeker in het geval er geen centrale term of zoekwoord kan uit afgeleid worden. Stel dat je iets schrijft over het ‘lokaal cultuurbeleid in Vlaanderen’, zorg er dan voor dat deze ‘zoekterm’ op de goede plaatsen in de tekst terugkomt zodat Google jouw artikel hoog rangschikt voor wie hierover iets wil lezen. De inhoud van je artikel af en toe actualiseren helpt ook om relevant te blijven voor zoekmachinesorteringen. Want geef toe, kom jij vaak op pagina 2 van een Google-zoekresultaat?
longread example

Voorbeeld van een longread op Medium

Conclusies

Een longread is wat vorm en inhoud betreft het best te vergelijken met een krantencolumn. Een column komt ook in verschillende formaten van kort (350 woorden) tot iets langer (650 woorden) tot lang (1500 tot 2500 woorden) met als doel om een gedachte te verpakken in een kort verhaal. Bij de gedrukte krant weten we niet waar lezers afhaken, maar voor online tekst wordt veel onderzoek gedaan naar het punt waar lezers afhaken. Volgens Gerry McGovern blijft minder dan 20% lezen bij teksten die langer zijn dan 1000 woorden. Zorg daarom voor kwalitatieve inhoud, breng die in een vormgeving die goed leesbaar is op alle toestellen en schermformaten, toon de totale leesduur na de titel, houdt de presentatiefocus op het artikel zodat er weinig afleiding is van andere zaken op dezelfde pagina en breng sfeer door het gebruik van beelden als deze kunnen bijdragen aan de inhoud.

Every thing has information

Dit jaar bundelt het digitaal bureau Wijs al voor het 9de jaar op rij voorspellingen over digitale trends voor het volgende jaar. In de editie van 2016 zijn 36 mensen -waaronder Herman Konings, Omar Mohout, Pieter Colpaert, Lesley Arens en Fredo De Smet- aan het woord. Mijn bijdrage gaat over hoe we evolueren naar een infosfeer waarin informatie on(be)grijpbaar wordt.

Online informatie zit meer dan in webpagina’s ook vervat in dingen rondom ons. Het Internet of Things is realiteit. We leven in een ‘infosfeer’ waar informatie actief is zonder dat we ons nog moeten aan- of afmelden, iets moeten lezen of openen. Alles rondom ons is informatie. Daarmee leren omgaan is een groter wordende uitdaging.

De infosfeer
Het informatiegehalte van voorwerpen en sociale omgevingen wordt steeds groter. We weten ondertussen dat zoekmachines ons kennen. Maar ook de thermostaat, het warenhuis, de auto, fitnesstoestellen, de ijskast, kledij, gebouwen en de stad leren ons beter kennen. Voorwerpen en om- gevingen zijn geconnecteerd en bewaren informatie over wat we doen. Een geconnecteerde thermostaat logt ons leefritme en verzamelt met die informatie kennis om de verwarming automatisch en op maat te regelen. Voor deze luxe betalen we met het weggeven van informatie over onszelf.We beseffen niet meer waar we overal sporen achterlaten. Die sporen zijn het nieuwe goud. Informatie in de vorm van documenten of pagina’s is passief omdat er een lezer nodig is die interpreteert en actie onderneemt. Actieve informatie is onzichtbaar en reageert zonder actie van een persoon.Informatie vormt mee de werkelijkheid. Informatie kan ervoor zorgen dat een auto ‘zichzelf’ bestuurt. Een gebouw, persoon of object kan er anders ‘uitzien’ door de informatie waarmee het verbonden is. Het onderscheid tussen de realiteit en het virtuele wordt moeilijker af te lijnen.Het Internet of Things, Big Data en Virtual Reality zijn geen op zichzelf staande trends meer. Het samenspel tussen deze en andere technologieën is bijna onmerkbaar binnengedrongen in ons leven met als rode draad: interactie met informatie.

Iedereen informatie-architect
De toekomst ziet er mooi uit voor informatie-architecten, maar net hun job is aan heroriëntering toe. Informatie- architecten zorgen tot nu vooral voor het ordenen van passieve informatie (webpagina’s, documenten, collecties…). Informatie is zo alomtegenwoordig en actief geworden dat ze niet meer organiseer- en beheersbaar is met alleen de klassieke regels.Het werk van een informatie-architect gaat niet meer louter over het ordenen van wat door mensen gecreëerd wordt, maar ook over het interpreteren en visualiseren van gegevens die door systemen gelogd worden.Deze vertaling van data naar informatie en actie kan leiden tot oplossingen die een sector, bedrijf of organisatie veran- deren. Dat vraagt meer dan het toepassen van een aantal ordeningsprincipes: de wil om je in te graven, om complexi- teit te doorgronden, gedrag te observeren, problemen te zien en nieuwe oplossingen te bedenken.Een informatie-architect is niet langer een schakel waarlangs de productontwikkeling ‘passeert’. Informatie is geen laag die op een product gelegd wordt, het product ‘is’ informatie. De manier waarop informatie verkregen wordt en hoe we de toegang tot informatie regelen, zorgt voor nieuwe dilemma’s en digitale kloven.

Meer digitale kloven
De kloof tussen mensen die wel of niet mediawijs zijn, beperkt zich niet langer tot ‘zij die weten en kunnen’ en ‘zij die niet weten en kunnen’. In 2016 zullen andere digitale kloven groter worden. De kloof tussen diegenen die bewust kiezen voor privacy en zij die kiezen voor het comfort dat gepaard gaat met het opgeven van privacy. De keuze van mensen om niet te participeren aan wat volgens hen een achteruitgang is, zal de grootste concurrent van de vooruitgang worden.Het lijkt alsof technologie eenvoudiger en goedkoper is gewor- den en toch neemt ook de kloof toe tussen zij die voldoende geld en expertise hebben en zij die er niet in slagen om metde veelheid aan data en informatie om te gaan. Er zijn zoveel digitale gegevens dat er letterlijk zeeën gevuld worden met opslagruimtes om data(machines) op temperatuur te houden. De kost voor sensoren, connectiviteit en processing is nog altijd hoog maar is door de evolutie van technologie op diverse niveaus haalbaar en betaalbaar geworden.Toch zijn de oplossingen fragiel. Vooral omtrent het beveiligen, lteren en het bewaren en toegankelijk houden van gegevens voor de toekomst, is er vaak nog gebrek aan expertise en nanciële middelen. Omdat het veilig en duurzaam bijhouden van zoveel informatie niet voor elke sector nancierbaar is, ontstaan er ook inhoudelijke kloven. Een andere kloof wordt kunstmatig in stand gehouden door merken die eindgebruikers opsluiten in hun ecosysteem zoals bijvoorbeeld een toestel van Apple dat bepaalde gegevens enkel doorgeeft aan andere Appletoestellen. Informatie kan op die manier onbruikbaar worden voor de wereld buiten het ecosysteem. Merkadepten dreigen zich daardoor te isoleren zonder echt bewust te zijn van de kloof tussen ‘hen’ en de ‘anderen’.Deze kloven lopen niet langer tussen landen, streken of buurten maar dwars door samenlevingen. Het niet kunnen meepraten op familiefeestjes omdat je (al dan niet bewust) geen Facebooktoegang hebt, is een anekdotisch voorbeeld van samenlevingsproblemen die dieper geworteld zullen geraken.

Is informatie alles?
Digitale kloven zorgen voor uitsluiting van zij die niet tot de infosfeer behoren, de outsiders, de niet-geconnecteerden, zij die er niet in slagen te lteren en zij die geen toegang hebben tot informatie. Kennis of toegang tot informatie staat al lang gelijk aan macht. Nu alles informatie is, worden de alternatie- ven om volop te participeren aan leren, werken of leven kleiner als je geen toegang hebt. Informatie is onzichtbaar geworden waardoor ook de betekenis van het woord ‘informatie’ vervaagt. Informatie is de brandstof van ons functioneren, we beseffen pas hoe afhankelijk we ervan zijn als de verbinding met het internet uitvalt.

Lees het volledige online trendrapport van 2016

Buzzwords

Screen Shot 2015-07-15 at 14.32.01

Het is niet meer in om te zeggen:
ik vertel graag over mijn werk
Dat klinkt alsof je niets anders te doen hebt.

Je zegt wel:
ik doe aan storytelling zodat ik met content marketing
leads kan binnenhalen
Dat klinkt alsof je strategisch bezig bent.

Want daarmee zeg je:
ik weet veel

Ook al denk je:
ik probeer ook maar wat

Al goed dat buzzwords overwaaien.
En graag-vertellen blijft.

 

 

Wat is het verschil tussen een native app en een web app?

Een jaar na de eerste iPhone werd in 2008 de App Store (en daarmee ook het woord app) geïntroduceerd. Het begrip app store stond toen voor de online winkel met software voor smartphones van Apple. Ondertussen zijn er veel meer mobiele toestellen dan enkel de iPhone, zijn er meerdere app stores dan enkel die van Apple, is het woord app niet langer gereserveerd voor mobiele apps en is het verschil tussen een website en een app kleiner geworden.

Sta je op het punt om in de ontwikkeling van een app te investeren? Dan is het goed om het verschil tussen een native app en een web app te kennen.

Wat is een native app?

Een native app is specifiek voor een bepaald besturingssysteem ontwikkeld en daardoor enkel bruikbaar op toestellen met dat besturingssysteem. De meest bekende besturingssystemen voor mobiele toestellen zijn: iOS (Apple), Android (Google), Windows Phone (Microsoft) en BlackBerry (BlackBerry).

Een native app die bijvoorbeeld speciaal voor iOS ontwikkeld is, kan niet gebruikt worden op toestellen met een ander besturingssysteem. Vermits iOS vandaag nog verschilt met OS X (het besturingssysteem van Apple-computers) werkt een iOS app enkel op mobiele toestellen van Apple. Meer nog, een iOS app die ontwikkeld is voor iPhone werkt alleen echt goed op een iPhone. Om dezelfde app ook voor iPad of Apple Watch bruikbaar te maken, zijn er specifieke ingrepen nodig.

Hierdoor kan het ontwikkelen van een native app erg duur worden. Stel dat je een app wil lanceren die op alle smartphones werkt, dan is het nodig om er minstens 3 te ontwikkelen:  1 voor iOS, 1 voor Android en 1 voor Windows Phone. Wil je dat diezelfde native app ook werkt op tablets, computers en smartwatches? Dan moet er voor elk van deze combinaties bijkomend geïnvesteerd worden.

Om een app vervolgens bij het publiek bekend te maken is het nodig om die aan de verschillende app winkels door te geven: App Store (iOS en OS), Google Play (Android), Windows Phone Store (Windows phone), Windows Store (Windows), BlackBerry World (BlackBerry), Ovi Store (Nokia). Elke store heeft eigen voorwaarden en regels. Die regels zijn van technische, organisatorische, juridische en financiële aard. Concreet kan dit betekenen dat een native app voor iOS niet door de strenge procedures van Apple geraakt en je duur ontwikkelde app daardoor niet bij het bedoelde publiek geraakt.

Wat is een web app?

html5_vs_native

Met een web app wordt verwezen naar software die ontwikkeld is om in de browser te gebruiken. Dat wil zeggen dat een browser (Google Chrome, Firefox, Safari, Internet Explorer, …) en een internetverbinding volstaan om de app te gebruiken. Als de web app op een goede manier ontwikkeld is (responsive design, html5, cross-browser compatibility…) dan zal die onafhankelijk van het besturingsysteem en het type toestel werken op alle apparaten met een browser en internetverbinding. Het is niet nodig om verschillende apps te ontwikkelen, en je hoeft niemand om toestemming te vragen om de app gepubliceerd te krijgen.

Een web app is eigenlijk hetzelfde als een website. De term web app wordt vooral gebruikt voor complexere websites die functioneren zoals software (bv. berekeningen uitvoeren, dynamisch visualiseren van gegevens, …). De grens tussen een website en een web app is aan het vervagen. Je zou kunnen stellen dat elke website een web app is of elke web app een website.

We zijn van web apps beginnen spreken omdat we alsmaar meer zaken kunnen doen via de browser. Bepaalde software die vroeger op onze computer geïnstalleerd werd, wordt nu als een webbased online service (SaaS, of Software as a Service) aangeboden met de browser als client. Een project management tool zoals bv. Basecamp is volledig bruikbaar in de browser zonder dat er iets op je computer geïnstalleerd moet worden. In het geval van Basecamp kan je beslissen om toch een native app te installeren als je bijvoorbeeld met een notificatie op je smartphone verwittigd wil worden voor het afwerken van een taak.

Basecamp heeft er als bedrijf voor gekozen om een web app + native app te voorzien zodat de klant kan kiezen wat hij/zij wanneer het liefst gebruikt. Het platform geeft ook externe ontwikkelaars de mogelijkheid om te integreren met hun software. Dat wordt mogelijk gemaakt door extra investeringen in de ontwikkeling en documentatie van een interface voor developers (API). Grote bedrijven zoals Facebook, Twitter en Netflix passen dezelfde softwarestrategie toe waarbij het beste van de 2 werelden gecombineerd wordt. Vaak wordt hiervoor de techniek van een hybrid app toegepast (html5 verpakt in een native container).

Dat wil niet zeggen dat het voor iedereen en altijd nodig en haalbaar is om in te zetten op de combinatie van web en native ontwikkeling. Soms is het zelfs technisch niet mogelijk. Publiceren op Instagram kan bijvoorbeeld enkel met een native app omdat de software op zo’n manier geïntegreerd is met de camera van een mobiel toestel dat dit (nog?) niet lukt via een browser.

Vooraleer je de beslissing maakt om te investeren in een native app en/of web app is het nodig om goed te weten voor wie en voor wat de app bedoeld is en wat daarvoor nodig is. Daarna kan je een weloverwogen en financieel haalbare keuze maken.

Verschillen tussen een native app en een web app

Redenen om voor de ontwikkeling van een native app te kiezen

  • Integratiemogelijkheid met de GPS van een mobiel toestel
  • Integratiemogelijkheid met camera (foto, film, webcam)
  • Integratiemogelijkheid met microfoon (input en output)
  • Integratiemogelijkheid met notificaties
  • Integratie met andere native apps (bv. Instagram, adresboek, …)
  • Offline gebruik van de inhoud van een app (bv. e-boek lezen zonder internetverbinding, gamen zonder internetverbinding, …)
  • Beveiliging van de inhoud van een app (bv. e-boeken zijn moeilijker illegaal te downloaden als ze via een native app aangeboden worden)
  • Controle over hoe informatie en pagina’s getoond worden
  • Promotie via app-stores
  • Integratie met betaalmogelijkheden app-stores

Nadelen van een native app

  • Verschillende apps nodig per besturingssysteem en type toestel
  • Development expertise nodig per ontwikkelplatformen (vaak 3 verschillende developers of bedrijven)
  • Afhankelijkheid van snel evoluerende native software en hardware
  • Afhankelijkheid van de regels en mogelijkheden van een native platform: user interface, technologie, juridisch kader, financiële voorwaarden, verder bestaan van het platform
  • Hoge ontwikkel- en onderhoudskost
  • Gefragmenteerde en beperkte community van ontwikkelaars
  • Gesloten platformen, geen open source benadering
  • Een nieuwe versie van een app moet door elke gebruiker gedownload worden
  • De inhoud van een native app is niet goed zichtbaar in Google en andere zoekmachines

Redenen om voor het ontwikkelen van een web app te kiezen

  • 1 app werkt op alle toesten met een browser (onhankelijk van besturingssysteem en type toestel)
  • Grote community van ontwikkelaars
  • Open source benadering
  • Eindgebruikers hoeven niets te installeren om de app te kunnen gebruiken (mits browser en internetverbinding)
  • Iedereen gebruikt automatisch de laatste versie van de app
  • Minder dure ontwikkelkost in vergelijking met native app
  • Generieke development expertise (meer developers en bedrijven in vergelijking met ontwikkeling native apps)
  • Hogere zichtbaarheid van alle inhoud in Google en andere zoekmachines
  • Er is geen externe goedkeuring (van app-store eigenaars) nodig om de app te lanceren

Nadelen van een web app

  • Bij de ontwikkeling is kennis nodig van cross-browser compatibility (Google Chrome, Firefox, Safari, Internet Explorer, …) en recente webstandaarden (html5, responsive design, …)
  • Web apps die gebruik maken van recente technologie zijn niet altijd bruikbaar in oudere browser-versies
  • De app moet bruikbaar gemaakt worden op een enorme variatie aan schermgroottes (grote desktopscreens tot kleine smartphones), hiervoor is
  • Meer tijd nodig om een doorgedreven vereenvoudiging van te concipiëren voor eenzelfde ontwerp dat goed bruikbaar moet zijn op heel grote én heel kleine schermen
  • Minder controle over hoe eindgebruiker pagina’s en informatie te zien krijgt (bv. afhankelijkheid van schermresolutie)
  • Performantie kan een probleem zijn bij zeer complexe web applicaties zoals games
  • Geen promotie via app-stores

Deze opdeling is niet exact. Zo kan er met een browser ook al inhoud bewaard worden voor offline gebruik, kunnen er beperkte functies van hardware aangesproken worden, is het mogelijk om rekening te houden met de fysieke locatie van een gebruiker. Online betalen kan evengoed in een web app en ook notificaties al via de browser mogelijk. Maar als jouw app een combinatie van al deze specifieke functies op een betrouwbare of doorgedreven manier nodig heeft, dan is het vandaag nog aangewezen om voor een native app te kiezen.

Heb je een native app en/of een web app nodig?

Met een antwoord op deze vragen en bovenstaand overzicht kan je tot een beslissing komen:

  • Welk publiek wil je bereiken?
  • Wat wil je bereiken met de app?
  • Welke functies moet de app ondersteunen?
  • Hecht je belang aan systeem- en platform onafhankelijke oplossingen?
  • Op welke promotiekanalen wil je inzetten?
  • Wil je de investering via de app terugverdienen?
  • Wat is het budget dat aan de ontwikkeling besteed kan worden (rekening houdend met éénmalige en terugkerend kosten)?

De laatste vraag zal waarschijnlijk het best helpen om de knoop snel door te hakken. Twijfel je nog? Dan kan deze test misschien helpen.

Data als doel of middel?

Tijdens de vele jaren waarin ik als informatie architect bezig ben met het vormgeven van digitale diensten blijft eenzelfde spanningsveld terugkeren. Een spanning die het gevolg is van verschillende uitgangspunten: data en technologie als doel of als middel, verder bouwen op wat er is of opnieuw beginnen. Het komt vaak voor dat er tijdens een veranderingstraject discussie ontstaat over fundamenteel verschillende uitgangspunten.

Een situatieschets van 3 verschillende uitgangspunten:

  1. We zullen alle data die we doorheen de tijd gecreëerd hebben samenbrengen.
    Deze data zullen we verrijken met gegevens die vrij of tegen betaling beschikbaar zijn.
    Deze verrijkte dataverzameling is het uitgangspunt voor het bedenken van nieuwe vormen van dienstverlening.
  2. We bedenken een nieuwe vorm van dienstverlening en onderzoeken vervolgens welke data daarvoor nodig zijn.
    Deze data zullen we zelf creëren of afnemen van partijen die deze vrij of tegen betaling ter beschikking stellen.
  3. We onderzoeken de noden van ons publiek en gaan op basis daarvan (ver)nieuw(d)e diensten ontwikkelen.
    De data die daarvoor nodig zijn gaan we verzamelen of  zelf creëren.

Ook al lijkt het derde uitgangspunt het beste is het niet zo dat de twee andere fout zijn. Om te innoveren is het nodig om te experimenteren en daarvoor zijn de eerste twee opties soms meer voor de hand liggend. Het onderzoek dat genoemd wordt in optie 3 kan ook gebeuren door de combinatie van 1 en 2.

Het probleem ligt niet bij het kiezen van de juiste optie, maar wil in het feit dat er bij aanvang van een veranderingstraject vaak niet gekozen wordt omdat er een kader ontbreekt om beslissingen te nemen.

Open en linked data

De emancipatiestrijd van data en de semantische onderbouw van het web zorgden ervoor dat veel organisaties (terecht!) bezig zijn met het openstellen, hergebruiken en linken van datasets. Waarom zouden we het warm water opnieuw uitvinden, waarom data creëren en beheren waar iemand anders al mee bezig is, waarom lokaal denken als het web globaal is, waarom semantische relaties tussen data en objecten niet visualiseren? Het zijn maar enkele van de redenen om in te zetten op open en linked data.

Hackathons zijn de speelplaatsen voor data-nerds. Het is fantastisch dat er alsmaar meer speelplaatsen zijn! Tijdens de hackathons mag er gespeeld worden met (tijdelijk) vrij beschikbare data. Het is de eerste optie en het is duidelijk dat er uit dat spelen geleerd kan worden. Zowel de ontwikkelaars als de eigenaars van data steken veel op als er nieuwe producten mee gemaakt worden. Het uitpakken met technische data-hoogstandjes is de drijfveer voor de eerste twee uitgangspunten: nieuwe diensten op basis van beschikbare data. Ze resulteren vaak in virtuoze interfaces met een hoog wow-effect. Deze zijn nodig om al zoekend te innoveren. Een prototype dat losgelaten wordt op een publiek kan aantonen wat de goede en minder goede ideeën zijn.

Kiezen voor zekerheid of experiment

De eerste twee uitgangspunten impliceren dat er gekozen wordt voor experiment: hoe en welke data kunnen verrijkt worden, welke nieuwe vormen van dienstverlening zijn mogelijk? Experiment is nodig om te vernieuwen. Maar er stelt zich een probleem als de eerste twee uitgangspunten toegepast worden in een situatie waar ze niet als experiment bedoeld zijn.

Als je voor zekerheid wil kiezen dan is het nodig om te bepalen voor welk publiek je bezig bent en waar dat publiek behoefte aan heeft. Met deze kennis kan vervolgens beslist worden welke data nodig zijn om producten of diensten te ontwikkelen of verbeteren. Dat onderzoek kan in de vorm van experimenten opgezet worden. Het is jammer genoeg vaak zo dat de behoeften niet onderzocht worden en dat een ‘experiment’ opgezet wordt als hét nieuwe product voor de komende jaren. De gevolgen daarvan: hoge investeringen voor diensten waar niemand écht behoefte aan heeft of weinig gebruiksvriendelijk uitgewerkte interfaces.

Kiezen voor lange of korte termijn

De keuze om meteen voor écht te ontwikkelen heeft dikwijls te maken met een kortetermijnstrategie waarbij geredeneerd wordt dat iets nieuw bouwen op basis van wat er al is minder kost dan iets te onderzoeken met als kans dat er vanaf nul opnieuw gestart moet worden. Met kortetermijnstrategie is er op zich niets fout als er een langetermijnstrategie tegenover staat waarin de experimenten passen.

Een strategie bepalen

Alvorens in te zetten op een veranderingstraject is het van belang om een overkoepelende strategie te bepalen waarin experiment, productontwikkeling, korte en lange termijndoelen een plaats naast elkaar krijgen. Dat hoeft geen document van 100 pagina’s te zijn. Het vastleggen de design-principes of uitgangspunten voor het ontwikkelen van producten die voor jouw organisatie van belang zijn, kan volstaan als referentiekader om beslissingen te nemen.

Heb jij FOMO?

FOMO, of de Fear Of Missing Out staat voor de angst om dingen te missen. Het sociale web maakt ons meer dan ooit bewust van alles waar we niet bij zijn. Status-updates op Facebook, Twitter, Foursquare, Instagram… wrijven het live in ons gezicht: X zit met Y op restaurant en wat ze eten ziet er heerlijk uit, foto’s van dansfeestjes waar de ambiance op beeld er beter uitziet dan in het echt, iemand checkt in op een concert of tentoonstelling waarvan je niet op de hoogte was, tweets van conferenties waar je niet bij bent, …  Het lijkt erop dat mensen met hun status-updates en bijhorende beeld-bewijsmateriaal een doel hebben: anderen jaloers maken.


De momenten waarop je thuis bent met het plan om niets te doen zijn net ook die momenten waarop er tijd is om doelloos rond te hangen op het web. Op dat moment worden we geconfronteerd met de 101 leuke dingen die we aan het missen zijn. Het gevoel van dingen missen is niet nieuw, maar wordt versterkt doordat we met weinig inspanning veel kunnen zien en volgen. Het aantal mensen dat online in beeld is, is groter dan de groep mensen van wie je hun doen en laten volgt via regelmatig contact. Het real-time delen, de bijhorende locatie-gegevens, en de beelden versterken het gevoel iets te missen meer dan iemands verhaal van wat hij of zij gaat doen of gedaan heeft.

Wie heeft er last van?
Uit onderzoek van JWT Intelligence blijkt dat mannen meer last hebben van FOMO dan vrouwen. In januari 2012 werden 869 volwassenen en 60 jongeren uit de Verenigde Staten bevraagd over hun angst om dingen te missen. Meer dan de helft van de bevraagden zegt af en toe last te hebben van FOMO.

Bron: http://mashable.com/2012/06/22/fomo-infographic/

Wat zijn de gevolgen?
Mensen met teveel last van FOMO krijgen problemen met kiezen en beslissen omdat ze verstrikt geraken in de angst om iets interessant te missen. FOMO-patiënten hebben concentratie-problemen omdat ze moeilijk kunnen weerstaan aan de drang om alle kanalen te checken in de hoop zo geen interessante dingen te missen.

The fear of missing out might become a self-fulfilling prophecy. The futile attempt to exhaust all available options can lead us to not realizing any option at all and to missing all options altogether.”
Dan Herman
CEO, international strategy Competitive Advantages

Is er een oplossing?
Volgens dit promofilmpje kan je FOMO vermijden met een power-adapter die je 100% garantie geeft op stroom, zodat je altijd en overal online bent en niets kunt missen. Ik ben eerder overtuigd van een oplossing die de stroom af en toe wegneemt.

Terwijl ik dit aan het schrijven was, heb ik minstens 30 leuke dingen gemist. Ik hoop dus dat u dit artikel leuk vindt.

Het internet als echokamer

Zoeken moet snel gaan. Wat we niet vinden op de eerste pagina van een Google-zoekresultaat bestaat niet. We gaan er van uit dat Google weet we bedoelen. Daarom verwachten we het juiste antwoord bovenaan. Opnieuw zoeken in miljoenen antwoorden is niet aan de orde. In vele gevallen is het zo dat het voor-ons-juiste antwoord bovenaan staat. Dat komt omdat Google ons heeft leren kennen door de sporen die we achterlaten op het internet. Elke online handeling wordt geregistreerd en onthouden. Zo creëren we ons eigen universum van waarheden en blinde vlekken.

De filter bubble

Eli Pariser
waarschuwt in zijn boek The Filter Bubble voor de gevaren van ons “personal ecosystem of information”. We hebben het idee dat we alles zien, maar we bekijken het internet door een filter waarvan we zelf niet (meer) weten hoe die is samengesteld. Meer nog, we weten ook niet hoe we de filter kunnen afzetten. Pariser benadrukt het feit dat we daardoor een gebrek krijgen aan alternatieve meningen door bijvoorbeeld ooit een artikel over Obama te verkiezen boven een artikel over Romney.

A world constructed from the familiar is a world in which there’s nothing to learn
Eli Pariser in The Economist, 2011 

Het concept van de filter bubble is vergelijkbaar met de relevance paradox. De relevantie wordt berekend door feiten buiten beschouwing te laten. Terwijl dit ook feiten zijn die mee bepalen wat relevant is.

The friendly world syndrome en de echokamer
De bubbel die we zelf creëren geeft ons een geluksgevoel omdat het internet een spiegel wordt van onze eigen interesses en die van onze vrienden. Dean Eckles spreekt in deze context over The Friendly World Syndrome. Op Facebook kunnen we alleen maar dingen leuk vinden. Dat maakt de barrière voor een kritisch discours groter, en de drempel voor impulsieve stellingen kleiner. Het belang van een bericht wordt berekend op basis van de meeste “likes”.

Participants in online communities may find their own opinions constantly echoed back to them, which reinforces their individual belief systems.
How the echo chamber impacts online communities, Wikipedia 

Heb je je ooit afgevraagd waarom bepaalde updates van Facebook-vrienden wel of niet getoond worden? Dat beslist Facebook voor jou op basis van de sporen die jij en je vrienden achterlaten. Hoe dat juist werkt is onduidelijk. Door opties aanpasbaar te maken, krijg je een vals gevoel van controle. Het effect van die aanpassingen is een maand later misschien anders, dus geven we ons uiteindelijk over aan de machine die voor ons beslist.

If we never click on the articles about cooking, or gadgets, or the world outside our country’s borders, they simply fade away. We’re never bored. We’re never annoyed. Our media is a perfect reflection of our interests and desires
Eli Pariser in The Filtre Bubble, 2011

Een machine-mens
Bij alles wat je online doet laat je sporen achter: een link aanklikken, een zoekwoord gebruiken, de tijd tussen een zoekresultaat en de klik naar een website, de personen aan wie je gelinkt bent, de commentaren en vind-ik leuks, een tweet of statusupdate, een blogbericht, de foto’s en filmpjes die je online zet, de plaatsen waar je incheckt, boeken die je online koopt of leest, de taalinstellingen van je browser, de plaats vanwaar je surft, … Elk spoor afzonderlijk lijkt onschuldig. Alle sporen samen zeggen meer over jezelf dan wat je wilt prijsgeven op het internet. Om nog niet te spreken over hoe interessant deze conclusies zijn voor adverteerders. Het internet is een lerend platform waar een machine-mens met berekende kennis in dialoog gaat met echte mensen. Ik ben er zelf niet uit hoe blij we daarmee moeten zijn.

P.S. als je dit artikel interessant vond, dan ben je *zeker* ook geïnteresseerd in social graphs en interest graphs

ShelfLife, een voorbeeld van innovatie

Bibliotheken en Open Data, het ligt voor de hand dat dit samengaat toch?  Een voorbeeld dichtbij is de bibliotheekcatalogus van UGent waar download & api als een mogelijk gebruik vernoemd is op de website. Naast de standaardfunctionaliteit om te zoeken kan je de data dus ook los van de UGent interface benaderen en er zelf een toepassing op bouwen. De open data, of de voorwaarde om te innoveren, is er dus.  De innovatie zelf is meestal geen automatisch gevolg van het openstellen van datasets. ShelfLife, is daarom een interessant voorbeeld.  Het is een vernieuwende front end toepassing op de open dataset van LibraryCloud.

Shelflife is a community-based wayfinding tool for navigating the vast resources of the combined Harvard Library System. It enables researchers, teachers, scholars, and students to find what they need and help others learn from them and their paths.

ShelfLife is niet alleen interessant omdat het een relatief uniek voorbeeld is, het is ook interessant omdat één van de projectbezielers David Weinberger is die zijn ideeën uit Everything is Miscellanous verwerkt in een interface om boekencollecties te visualiseren.  In ShelfLife wordt geëxperimenteerd met het verband tussen ordening in fysieke en digitale omgevingen. Er wordt vertrokken vanuit de metafoor van een boekenrek.

Zoeken zonder nekpijn
ShelfLife is een digitale toepassing. Er zijn bijgevolg geen grenzen met betrekking tot ruimte of ordening. Daarom liggen de boeken in dit rek neer. Dat is de eenvoudigste manier om de rugtitel op een boek te lezen.  Boeken zo stapelen in een bibliotheek zou problematisch zijn omwille van plaats, de zwaartekracht en het uitlenen van het onderste boek uit de stapel. De beperkingen van een fysieke ruimte bezorgen ons keer op keer nekpijn na een lang bezoek aan een bibliotheek of boekhandel.

Old & new, of bekend en onbekend
Het vasthouden aan de old-fashioned presentatie van een boekenrek wordt door David Weinberger verdedigd vanuit het creëren van context. Een publicatie of werk ontleent zijn betekenis niet alleen aan zichzelf, maar ook aan de relatie met andere werken. Deze relaties zijn in het digitale oneindig. Elk kenmerk van een object is een potentieel ordeningscriterium. Dat weten we al langer, maar de moeilijkheid is om deze oneindigheid aan mogelijkheden om te zetten in een intuïtief bruikbare interface. Het creëren van een herkenbare ervaring is de tweede reden om te vertrekken vanuit het boekenrek als “familiar metaphor”.

Ordening is meer dan volgorde
In ShelfLife worden heat maps gebruikt om de populariteit van een werk weer te geven. De diepte van het kleur blauw varieert naargelang de mate van populariteit. Deze variabele wordt berekend op basis van de vele metadata die beschikbaar zijn via LibraryCloud: aantal uitleningen van een werk, aantal bibliotheken met het werk in de collectie, aantal kopieën van het werk per bibliotheek, aantal user ratings of tags, aantal keer toegevoegd aan een leeslijstje, … De aantallen worden opgeteld als de ShelfRank*.  De ShelfRank is samen met andere kenmerken bepalend voor de StackView. Er worden dus ordenings- of betekenislagen toegevoegd aan de volgorde.

Stack View from Harvard Library Innovation Lab on Vimeo.

Context is king

Weinberger sees value in collecting as much information as possible about the usage of works, because that adds to the contextual richness

Met ShelfLife is het mogelijk om een persoonlijke context te creëren.  Door het transparant maken van de ShelfRank kan je bijvoorbeeld kiezen voor een rangschikking op basis van kenmerken van bibliotheekmedewerkers, lezers, Wikipedia, …
De interface nodigt je uit om zoekacties te bewaren zodat het zoekpad naar een titel helpt bij het creëren van nieuwe contexten. Uiteraard word je via ShelfLife ook uitgenodigd om zelf de titels te taggen. Deze tags vormen een bijkomende context voor jezelf of voor anderen.

Mijn bibliotheek
Je eigen tags worden in een andere kleur weergegeven. Deze kleine ingreep maakt dat je persoonlijke bibliotheek meer zichtbaar wordt in dit grote geheel. Het maken van lijstjes is met de Collection Manager ontwikkeld als een ervaring die het fysiek ordenen simuleert: boeken kunnen versleept of verplaatst worden binnen je persoonlijke collecties.
Zoekresultaten in ShelfLife kunnen gefilterd worden op de collectie van je eigen lokale bibliotheek (als die meewerkt aan het LibraryCloud project). Elke filtering kan gewidgetized worden. Dit betekent dat bibliotheken een ShelfLife-view op de lokale collectie kunnen embedden op de eigen website.  Of, wil je als eindgebruiker een persoonlijke cluster van bibliotheken waarvan je lid bent als standaard zoekomgeving? Dat kan ook.

The sky is the limit, but less is more
Het idee is dat elke ordening en context die je kunt bedenken mogelijk moet zijn met ShelfLife. Stel dat er in de fysieke bibliotheek een rek is waarop alle publicaties staan die gebruikt worden in lessen aan de universiteit. Het is een interessante maar onpraktische ordening in een bibliotheek omdat het boek dan op een andere plaats niet meer kan gevonden worden. Dit soort beperkingen zijn er niet in het digitale.  In het digitale kan alles. Maar! Hoe presenteer je dit allemaal? Less is more als het gaat over usability. Het moet intuïtief blijven, en onze intuïtie is (groten?)deels gebaseerd op hoe we handelen in een fysieke omgeving.

Information Architecture is king
Hier wou ik dus toe komen 😉 De databerg is realiteit geworden. We pleiten voor open data. Er zijn protocollen, standaarden en concepten: linked data, het semantic web, … Maar er is een missing link: de link tussen data en personen.  Hoe kunnen we komen tot zinvolle en bruikbare interfaces die verder gaan dan het tonen dat iets werkt? De killer application is er nog niet. Ook niet met ShelfLife. Het is wel een interessant voorbeeld omwille van het experiment en de ideeën over ordening.

Van data- naar mensenstromen
De ideeën van ShelfLife kunnen naar elke sector getransponeerd worden. Stel dat alle data van onze openbare vervoersmaatschappijen open zouden zijn. Alle! Ook data die in ticket- en abonnementsystemen zit en mogelijk door de organisaties zelf nog niet volledig ontgonnen is. Met deze data zouden we toepassingen kunnen bedenken die ons suggereren welke trein we moeten nemen als we een uur zonder medepassagiers willen reizen. Die minder druk bezette treinen zouden wel eens drukker bezet kunnen worden. Of, hoe het visualiseren van datastromen ook mensenstromen kan beïnvloeden. Is dat niet boeiend?

* voor insiders: ShelfRank = (RoseRank -uitleendata <-toen nog niet beschikbaar)

LibraryCloud, een voorwaarde tot innovatie

LibraryCloud is een open metadata server die opgezet is door de Harvard Library Innovation Laboratory. Op de server worden metadata van bibliotheken en andere organisaties geaggregeerd en vrij beschikbaar gesteld als Linked Open Data en via API‘s. Het doel van LibraryCloud is om innovatief gebruik van collectie-data te stimuleren.

The aim is to enable completely unexpected disruptive innovation

Interessant omwille van de inhoud
LibraryCloud stelt meer dan 12 miljoen bibliografische records vrij beschikbaar, maar is vooral bijzonder omwille van het feit dat er naast de metadata over vorm en inhoud van de publicaties ook data over het gebruik van de bibliotheekcollecties beschikbaar is: o.a. uitleengegevens van de voorbije 10 jaar aan Harvard! De metadata-verzameling geeft info over het gebruik van titels in de lessen en reservaties door studenten.  Daarnaast zijn ook verwijzingen toegevoegd naar digitale versies en Wikipedia-boekenpagina’s. Als je nu zou denken dat dit enkel interessant is binnen een academische setting kan ik je geruststellen.  LibraryCloud bevat ook enkele miljoenen bibliografische records en bijhorende uitleendata van openbare bibliotheken: de San Francisco Public Library, de San Jose Public Libary en de Darien CT Public Library.
Wat nog ontbreekt is wat de lezers zelf over de collectie vertellen.  Daar is ook aan gedacht: er wordt een verrijking aangekondigd met gegevens uit het sociale boekennetwerk LibraryThing.

Interessant omwille van de open architectuur
LibraryCloud is opgezet als LAMP stack.  De gegevens zijn Linked Open Data compliant en er is een API.  De documentatie voor gebruik maakt de openheid compleet.

Interessant omwille van het vrij gebruik met respect voor privacy
LibraryCloud heeft de policy om data alleen te accepteren als die zonder licentie publiek bruikbaar zijn. Data met user-ID’s worden niet aanvaard uit respect voor de privacy. Aan bibliotheken die uitleengegevens doorsturen wordt gevraagd om de leners-ID’s en -namen te verwijderen. Het tijdstip van uitlening, en andere kenmerken die nuttig zijn voor het herkennen van patronen, zijn wel onderdeel van de dataset.

Interessant omwille van het vervolg
Veel data in de bibliotheeksector zitten -soms zelfs voor eigen gebruik- opgesloten in systemen die onderhouden worden door softwareleveranciers die hun eigen tempo, voorwaarden en ideeën als norm voor vooruitgang hanteren. Als data los van een systeem open beschikbaar gesteld worden kan iedereen mee de innovatie mee bepalen. Een blik van buitenaf kan verrassende inzichten en ideeën opleveren. Meer nog, het verrijken van geïsoleerde data met andere datasets kan nieuwe informatie en inzichten opleveren.

Open data voorzien, is geen innovatie op zich maar een voorwaarde tot innovatie. De gevolgen van LibraryCloud zijn daarom misschien wel het meest interessante deel van het verhaal.
En, er zijn al enkele toepassingen en experimenten met de LibraryCloud data.  Meer daarover in deze post!